Deze kaneel komt uit de regio Quảng Nam in Centraal-Vietnam, geteeld op 1500 meter hoogte in het Truong Son-woud nabij de grens met Laos. De boom, Cinnamomum loureiroi, is afkomstig uit precies dit bos en wordt al generaties lang als heilig beschouwd door de etnische groepen die er naast leven. Hij staat lokaal bekend als Tra My-kaneel en is een variëteit die Vietnam zelden verlaat en duidelijk verschilt van de cassia die de kruidenrekken in Nederland domineert.
Het duurt tien jaar voordat de bast voldoende gerijpt is. Dan wordt de boom aan de basis geveld, de bast afgeschild, opgerold en wekenlang onder gecontroleerde omstandigheden gedroogd om de etherische oliën te bewaren. Het aroma is intens en helder: scherp, zoet en kruidig met een diepte en warmte die cassia nooit bereikt. De helft van wat je gewend bent is genoeg.
Quảng Nam-kaneel is een van de basisingrediënten in Vietnamees pho-bouillon en werkt even goed in Chinees vijfkruidenpoeder, Indonesische rendang en Jamaicaans jerk. Maar in Scandinavische bakkerijen schittert het echt: kaneelbroodjes worden uitgebalanceerder en aromatischer met aanzienlijk minder suiker. Één pot verandert gegarandeerd hoe je naar kaneel kijkt. Voor mij was één proefje genoeg.